Kinderen en rouw

Gepost op: 2015-02-06

Toen ik op de lagere school zat, gebeurde er iets vreselijks in mijn relatief gelukkige jeugd. Op de snelweg door de polder waar je toen nog gewoon over kon steken werd een klasgenootje meegesleurd door een auto. In één klap dood. Ik was er niet direct bij betrokken maar weet nog precies wat ik ‘voelde’ in die week. Ik schrijf ‘voelde’ omdat ik er pas later taal voor kreeg. Ik weet niet of toen daadwerkelijk mijn maag samentrok. Ik weet ook niet of die duistere groeiende bal in mij er echt was. Die bal van onbekende gevoelens die bijna explodeerde en mij dreigde te overspoelen. Waarschijnlijk ging ik gewoon met mijn vriendjes naar het zwembad, zeiden anderen wat stoere dingen en was ik wat stil. Er overkwam me iets wat te groot was voor me. Ik moest het wegdrukken, in mootjes hakken, vergeten, parkeren

Een kind dat rouwt moet tegelijk een psychische groei doormaken. Hoe moet je schuilen in een huis dat nog in aanbouw is? Iets wat veel te groot voor je is, begrijp en doorleef je in verschillende leeftijdsfasen. Elke fase biedt weer taal, inzicht, uitstel. Rouwen gaat bij stukjes en beetjes. Wat is normaal? Een 4-jarige denkt magisch, een puber verzet zich. Hoe moet je je verzetten in een gezin waar je vader totaal onverwacht dood ging? Kom je daar goed uit? De inwijding in de sterfelijkheid van het bestaan is vaak keihard en altijd onontkoombaar. Vaak genoeg blijken kinderen heel veel veerkracht te ontwikkelen. Voor de meeste volwassenen is hun rouw een doolhof. Ze zoeken intuïtief naar de uitgang en kunnen op den duur hun verdriet dragen. Kinderen leven in diezelfde doolhof maar vergeten de uitgang, leven in het nu, blijven spelen op een kruispunt, vergeten even hun verdriet mee te nemen. Dat is maar goed ook soms.

Misschien is dat het grote werk. Dat we langzaam moeten leren ons verdriet te dragen. Het prachtig verhaal ‘Josje’s droom’ van kinderboekenschrijver Sjoerd Kuyper gaat hier over. Op een dag krijgt Josje, die getrouwd is met een soldaat, een zwarte envelop van de mannen Teer. Er staat in dat haar soldaat dood is. Er zit ook een sleutel in van de kast in de kelder. Het is een kast vol geheime laden en deurtjes en dubbele bodems. Als ze de brief daarin legt blijft haar verdriet achter in de kast.

‘Weg is weg. Het verdriet bleef achter in de kast. Niet voor altijd, dacht Josje. later mag het er weer uit, later, als ik goed tegen verdriet kan.’

Dat wordt bekend. Alle dieren van de kleine haven willen wel van hun verdriet af. Ze rennen af en aan met hun verdriet naar Josje. Je moest er bij zijn voor het over was, anders hielp het niet. Josje stopt het verdriet van alle dieren in de kast en doet hem stevig op slot.

‘Kom het maar weer ophalen als je ertegen kunt, zei Josje. Maar geen dier nam zijn verdriet ooit terug.’

Dan verandert de  hele sfeer in het kleine haventje. Er wordt niet meer gelachen. Er zijn ruzies. De dieren komen op een dag bij Josje:

‘De jonge buffel nam het woord. Josje, zei hij, we komen ons verdriet ophalen. (  ) We willen je bedanken Josje, zei hij, voor wat je voor ons hebt gedaan. Maar weet je, we willen zo graag weer gelukkig zijn. En zonder verdriet kunnen we dat niet. De dieren knikten stil. We waren zo alleen. Niemand kwam ons troosten, want we hadden geen verdriet. We hebben liever verdriet en dan troost, en dan lol met elkaar…( )..Het verdriet moet terug in de wereld, Josje, zei de buffel. Als je je verdriet vergeten bent, is wat je nog wel weet ook niet veel waard. We willen je troosten…’

Eén voor één gaan ze vervolgens de keldertrap af en nemen hun verdriet terug. Het is een gesnik van jewelste.

‘Josje was als eerste uitgehuild. Ze ging rechtop in haar stoel zitten, keek om zich heen en zei: ‘Zo, en nu wil ik zoenen..’

 

 


Ripen 11 9245 VG Nij Beets M 06 27 30 81 52 E info@rienvanderzeijden.nl W www.rienvanderzeijden.nl